De Nederlandse durfkapitaalmarkt groeide de afgelopen twintig jaar sterk. Het aantal investeringen nam toe. Het aantal regio’s ook. Durfkapitaal is geen niche meer. Toch komt een groot deel van het beschikbare groeigeld niet bij Nederlandse startups en scale ups terecht. Dat blijkt uit onderzoek van PwC. De oorzaak ligt niet bij het ondernemerschap, maar bij de match tussen kapitaal en ondernemer.
Waar investeringen vroeger vooral rond Amsterdam samenkwamen, verschuift het zwaartepunt. Regio’s als Eindhoven en Delft trekken structureel kapitaal aan. Hightech maakindustrie, AI en data spelen daar een centrale rol. Durfkapitaal volgt deze ontwikkelingen. Niet als motor van groei, maar als signaal. Het laat zien waar kennis, talent en infrastructuur samenkomen en waar toekomstige groei mogelijk is.
Tegelijkertijd blijft schaal een probleem. Nederlandse investeerders investeren relatief veel in het buitenland, vooral in de Verenigde Staten. Niet omdat goede bedrijven hier ontbreken, maar omdat Europese kapitaalmarkten versnipperd zijn. Grote financieringsrondes zijn lastig. Rendement weegt zwaar.
Het kabinet zet in op medewerkersparticipatie en een nationaal investeringsfonds. Dat versterkt het systeem deels. Maar de focus ligt vooral op scale ups. Het innovatieve mkb profiteert nauwelijks. Juist daar ontstaat nieuwe bedrijvigheid. Juist daar stokt de financiering.
Het probleem is dus geen geldtekort. Pensioenfondsen en particuliere beleggers beschikken over voldoende kapitaal. De aansluiting faalt. Het geld bereikt te vaak niet de ondernemers die het nodig hebben. Dat remt groei. Dat verzwakt het ecosysteem.







